Hoe troost écht tot troost kan zijn.

Wat is het mooi dat we elkaar kunnen troosten. Dat er zoiets als troost bestaat. Maar wat is troost precies? Als algemene definitie van ‘troost’ kom ik onder andere deze algemene omschrijvingen tegen: troost is het bemoedigen van iemand. Je verzacht iemands pijn. Troost heeft als kern dat iemand zich niet verlaten of eenzaam voelt.

Wat is het fijn en steunend om troost te ontvangen en wat voelt het vaak dankbaar en betekenisvol als je troost aan iemand kunt bieden.

Toch is er iets aparts met troost aan de hand. We kunnen er namelijk niet vanuit gaan dat troost per definitie dusdanig ervaren wordt. Iets is pas echt troost, als de ontvanger het als troost ervaart. Niet als de gever het als troost bedoeld heeft. Dat is een subtiel, maar heel belangrijk verschil. Ik zal dat toelichten.

Stel je voor dat je iemand spreekt die net haar baan heeft verloren. Dan zou je kunnen zeggen: ‘ach, kom op, je bent nog zo jong, je vindt wel weer iets anders.’ Of: ‘ik zeg maar zo: als je maar gezond bent.’ Of: ‘dit is een gunstige tijd om nieuw werk te vinden, het komt wel goed met jou.’ Allemaal opmerkingen die als troost bedoeld kunnen zijn, door de gever ervan. Maar allemaal opmerkingen die hoogstwaarschijnlijk niét als troost ervaren worden door de ontvanger ervan! Wat zou dan misschien wél als troost ervaren kunnen worden door de ontvanger? Bijvoorbeeld: ‘wat vervelend voor je… hoe voel je je nu?’, of: ‘dat is naar! Je hebt daar zo lang gewerkt. Ik kan mij voorstellen dat je nu heel verdrietig bent, maar misschien ook wel boos. Wil je erover praten?’ of door iemand een knuffel te geven (als dat straks weer mogelijk is, na de coronacrisis).

Troost heeft twee kanten.

Aan de ene kant: het nabij zijn. Meevoelen met degene die troost nodig heeft. Als het ware ‘naast’ diegene gaan staan en ruimte bieden voor dat wat diegene voelt en ervaart. Troost bieden door stil te zijn, aanwezig te zijn, te luisteren en de ander de ruimte te geven om zijn of haar gevoelens en gedachten (soms wel meerdere keren) uit te spreken. Of door alleen maar aanwezig te zijn bij de ander. Op die wijze erken je de pijn die de ander heeft, je geeft als het ware aan dat die pijn er mag zijn. Dat er ruimte is voor die pijn, iemand voelt zich gezien.

Aan de andere kant: het bemoedigen, afleiden en opvrolijken. Bij troost denken veel mensen aan manieren om iemand weer vrolijk te maken. Positieve opmerkingen, allerlei afleidings-acties, adviezen, tips, hulp bij van alles, mooie tekeningen, lieve kaarten, enzovoort. Veel mensen willen graag iets doén, als het om troosten gaat. Iets concreets. En veel mensen vinden pijnlijke gevoelens zodanig confronterend, dat ze zich liever bezighouden met de vrolijke kanten waarmee ze iemand kunnen troosten. Ze vrolijken zichzelf daar eigenlijk ook mee op. Dit kán heel behulpzaam, bemoedigend en troostend overkomen. Met nadruk op kán. Soms is het heel fijn als iemand op deze wijze troost biedt. Echter schuilt er ook een gevaar in deze wijze van troosten, namelijk dat je je zo richt op het ‘opvrolijken’ en de ‘positiviteit’, dat je daarmee de pijn en ellende van de ander niet erkent. Daar geef je dan geen ruimte voor, dat voel je niet met de ander mee. Misschien wil je de pijn het liefste gelijk wegpoetsen, alsof het er daarna niet meer is. Dit kan op de ander overkomen alsof hij of zij niet gezien wordt en alsof de pijnlijke emoties en gedachten er niet mogen zijn.

Troost kan heel liefdevol, warm, behulpzaam en helpend zijn voor iemand. Laten we anderen dan ook blijven troosten waar mogelijk, dat is zó nodig. Echter is het zinvol om je bewust te zijn van drie belangrijke punten:

Komt mijn troost ook wel écht over op de ander, als ‘troost’?

– Aan wat voor soort troost heeft de ander eigenlijk behoefte? Is dat het uiten van gevoel? Of is dat meer het bieden van praktische hulp of afleiding?

– Wat voor troost voelt voor mij goed om te geven, zonder dat het mij uitput of dat ik over mijn grenzen heen ga en teveel voor de ander zorg (terwijl ik dat nu eigenlijk even niet aankan)?

Dit zijn drie punten om in de gaten te houden, en misschien met de ander te bespreken. Dat kan al, door bijvoorbeeld te vragen: ‘Wat kan ik voor je doen? Waar heb je behoefte aan?’ of: ‘Ik wil je heel graag troosten. Ik heb een heel mooi boek waar ik je uit voor wil lezen. Maar wil je dat nu wel? Of misschien pas later een keertje?’ of: ‘Ik wil er heel graag voor je zijn, maar kan dat nu zelf even niet aan. Het lukt me wél om je elke dag een berichtje te sturen, vind je dat fijn? Dan weet je dat ik toch veel aan je denk. Misschien kan ik er later dan nog op terugkomen.’ Op die wijze check je bij de ander of die wel behoefte heeft aan de troost die jij graag wilt en kunt bieden. En als dat zo is, dan is je troost échte troost. Dan ben je de ander nabij, dan heb je zodanig contact dat de ander zich gezien en gehoord voelt. Dan bén je er voor een ander.

Ik wens je toe, dat je veel troost zult mogen ontvangen in tijden dat je dat nodig hebt. En schroom niet om het gesprek hierover aan te gaan. Als een ander niet weet op wat voor soort troost je zit te wachten, dan kan het moeilijk zijn voor die ander om dat precies aan te voelen. Misschien kun je zelf proberen vriendelijk en duidelijk aan te geven waar je behoefte aan hebt, als je niet de troost ontvangt die je zoveel goed zou doen. Zoals: ‘ik zou het fijn vinden als je alleen maar even wilt luisteren. Verder niks, je hoeft geen advies of oplossing te geven. Alleen maar even luisteren.’ Het gaat in dit blog voornamelijk over troost die je ontvangt van mensen, maar je kunt ook heel veel troost ontvangen van bijvoorbeeld dieren, bomen, een bepaald geloof, muziek of iets anders waar je veel kracht en steun door ervaart.

En ik wens je toe, dat je veel troost zult kunnen geven aan anderen die dat nodig hebben. Afgestemde troost. Troost die goed voelt om te geven en troost die ook écht als troost wordt ervaren door de ontvanger. Want als dat zo is, dan voel je door jouw troost heen een echte verbinding met de ander. En dat troost niet alleen die ánder, dat troost misschien ook wel een beetje jezelf.